2025: 80 jaar bevrijding Bontebok
Hendrik Marcus de Jong, een communistische majesteit




In januari 1943 klopte een vriend op de deur van het boerderijtje van De Jong in Bontebok. Of hij twee onderduikers kon opnemen. Dit wilde De Jong eerst overleggen met zijn gezin. Uiteindelijk besloot de familie ,,de gevaren te trotseren”, zoals De Jong het besluit in zijn uit 1945 stammende memoires verwoordde. ,,Het ging hier om mensenlevens.”
Een verzetsman haalde ze op in Zwolle, een vermomde De Jong stond bij de tramhalte in Langezwaag klaar om ze mee te nemen. Het bleek echter niet om twee, maar om vier ,,slachtoffers van de nazibeulen” te gaan, die ,,smeekten om gered te worden.” De Jong vond dat er voor hem ,,geen ander besluit overbleef dan deze vier mensen allen in huis te nemen.” Hij duidde de start van het verzetswerk aan als ,,het begin van een gevaarlijke onderneming, die zich steeds meer uitbreidde.”
De Jong was echtgenoot, vader, boer én communist. Vanwege zijn antipathie tegen het koningshuis werd hij gekscherend Hare Majesteit genoemd, om zijn initialen. Hij zou uiteindelijk uitgroeien tot het boegbeeld van het verzet langs de Schoterlandse Compagnonsvaart.
Deze omgeving werd vanwege het hoge aantal Joodse mensen dat er in de Tweede Wereldoorlog een veilig heenkomen vond ook wel de Schoterlandse Jordaan genoemd. Het gebied, waarin De Jong met z’n groep actief was, liep van de Woudsterweg in Heerenveen tot aan Jubbega.
Onderduikers werden soms eerst opgevangen in het kantoor van de inmiddels gesloopte boterfabriek aan de Hogeveenseweg in Bontebok (op paar meter afstand van de plaquette, op die plaats staan nu huizen). Daar vandaan werden ze naar een schuilplaats gebracht. In het kantoor kwam de verzetsgroep ook vaak bijeen.
Aanvankelijk was het lastig het almaar toenemende aantal onderduikers te onderhouden. Een groter netwerk bleek nodig. Via de directeur van de boterfabriek kwam De Jong in contact met illegale werkers in Heerenveen.
Ambtenaren op het distributiekantoor zorgden voor bonkaarten, anderen hielden zich bezig met het vervalsen van persoonsbewijzen. De directeuren van de zuivelfabrieken in Bontebok en Jubbega zorgden ervoor dat er boter en kaas naar de onderduikadressen ging. ,,Door zwijgzaamheid van het personeel bleef de buitenwereld onkundig”, schreef De Jong.
Hij haalt in zijn memoires een Joodse man aan, die vroeg of De Jong misschien zijn broer, schoonzus en hun twee kinderen uit Amsterdam kon opvangen: ,,Als het niet anders kan, red dan zo mogelijk die beide arme kinderen.” De Jong ging op zoek naar nieuwe schuilplaatsen. ,,Ik voelde het stille leed van hen, wier dood of leven zou afhangen van mijn al dan niet slagen om een plaats voor hen te bemachtigen”, meldde hij daarover.
De Jong moest bij uiterst betrouwbare mensen aankloppen. Bij geen resultaat was er immers weer iemand die van zijn activiteiten op de hoogte was. Hij vond een plaats voor de ouders, een collega-verzetsman en hij namen elk een kind onder hun hoede. ,,Wat een zelfvoldoening wanneer men weer een gezin ternauwernood onttrok aan de klauwen der fascistische beulen”, zei hij daarover.
Aanvankelijk was het lastig onderduikadressen te vinden voor Joodse mensen. Maar hoe langer de ,,wreedaardige bezetter zich handhaafde, hoe wreder zijn terreur, hoe meer mensen zich geroepen voelden om mee te doen aan het verzetswerk.” Uiteindelijk was er langs de vaart dan ook bijna geen gezin meer te vinden dat geen onderduiker had.
Liegen en zwijgen werd routine, aldus De Jong. ,,Ter wille van de vervolgden was alles immers geoorloofd.” Zo kon het gebeuren dat de vriend, die had aangegeven geen Joden te willen opvangen, maar wel spoormedewerkers, tóch Joodse mensen in huis kreeg. Pas bij de bevrijding werd hem de waarheid verteld.
Dit gold ook voor de weduwe die hem liet hem weten geen Joodse studenten te kunnen opvangen, maar wel anderen. Ze werd de beste vrienden met – naar wat dus later bleek – Joodse studenten.
Onder meer wielrenner Tinus van Gelder, die in 1948 meedeed aan de Olympische Spelen in Londen, vond een veilig heenkomen in Bontebok. En Ben Troostwijk (1927) uit Leeuwarden.
Troostwijk zat op verschillende adressen in De Knipe en Bontebok ondergedoken. Hij beleefde de bevrijding bij Hare Majesteit. Hij leerde melken op het boerderijtje aan de Eerste Compagnonsweg 68, hielp met het werk op het land, stond op wacht tijdens vergaderingen van het verzet en mocht met De Jong mee om Engelse of Amerikaanse piloten weg te brengen.
Als Troostwijk over De Jong spreekt, heeft hij het over zijn pleegvader. Voor hem waren De Jong en zijn vrouw ome Hendrik en tante Jens. Tot aan hun dood heeft hij contact met ze gehouden. Hendrik Marcus en Nienske de Jong kregen in 1973 de Yad Vashem onderscheiding, de hoogste onderscheiding die de Israëlische regering aan niet-Joden toekent.
Ben Troostwijk had de eer om deze plaquette, samen met burgemeester Avine Fokkens van Heerenveen, op 17 april 2025 te onthullen.